|
|
||||
![]() |
||||
Boyd Raeburn (1913-1966)
Bandleider en multi-saxofonist Boyd Albert Raeburn begon met zijn orkest in 1933, nadat hij gestopt was met zijn studie medicijnen aan de universiteit van Chicago. In 1944, na jarenlang salonachtige dansorkesten te hebben geleid, besloot hij het beleefde geluid van zijn orkest om te vormen tot een meer vooruitstrevend concept, dat van “moderne klassieke muziek toegepast op swing” zoals een van zijn latere medewerkers, George Handy, het zou noemen.
Raeburn werd gedreven door een enthousiast geloof dat swing en moderne muziek konden worden verenigd. Hij hoopte ook dat zo’n vermenging (die “hip music”werd genoemd) uiteindelijk een publiek voor zich zou weten te winnen. In een Down Beat artikel uit 1945 getiteld “Raeburn’s Jazz Too Hip For Success?”, verklaarde Raeburn heldhaftig: “Op dit moment sta ik 30 mille in het rood, en het eind is nog niet in zicht. Sommige mensen zeggen me dat ik nooit een succesvol orkest zal hebben zolang ik hippe muziek speel. Maar ik geloof er niets van, en ik zal bewijzen dat ze er naast zitten”. Raeburns uitspraken kwamen op een moment dat er een verhit debat woedde in de jazzpers. De nieuw verschenen bebop veroorzaakte flinke beroering onder jazzliefhebbers, critici en muzikanten. The centrale vraag was: is dit nog wel jazz? Terwijl voor- en tegenstanders hun stellingen betrokken, werden bandleiders zoals Raeburn onvermijdelijk, en vaak tegen hun wil, de controverse ingezogen, en werd hen weinig keus gelaten dan zich voor het een of het ander uit te spreken.
Raeburn dacht dat hij er in zou slagen zijn publiek te leren zijn hippe muziek te waarderen en verliet met zijn orkest het gebaande pad van de swing. In 1941 al, begon hij voorzichtig te experimenteren met nieuwe ideeën, mogelijk met de hulp van Paul Villepigue, om vol overtuiging het roer om te gooien in 1944, door vooruitstrevende componisten en arrangeurs aan te nemen. De eerste nieuweling was Eddie Finckel, die een concept toepaste dat hij “georkestreerde Lester” (naar Lester Young) noemde. Waar Finckels arrangementen de nadruk legden op lichte swing, bracht een korte samenwerking met Dizzy Gillespie Raeburn zijn eerste kennismaking met de bebop. Raeburn kocht Gillespie’s nieuwste arrangement, A Night In Tunisia, en hij zou de eerste worden die dit stuk op de plaat zette. Met de toevoeging in het voorjaar van 1944 van pianist, componist en arrangeur George Handy, een leerling van Aaron Copland, werd het repertoire van het orkest werkelijk radicaal vernieuwend. In stukken als Dalvatore Sally en Yerxa, brak Handy met de veronderstelde wetten van de dansmuziek. Op Handy’s stukken, vol met tempo- en maatwisselingen, kon niet worden gedanst. “Dit Raeburn-orkest is in geen geval een dansorkest”, schreef Barry Ulanov in 1945, “de muziek die het speelt is bedoeld om naar te luisteren; het is moderne muziek, gegoten in nieuwe vormen uit klassieke modellen en jazzritmes en -harmonieën. [. . .] Op deze manier zal de muziek vanaf nu door de waarlijk moderne musici gespeeld worden, door de getalenteerden en de diepzinnigen, alsook door de muzikaal gezonde spelers.” Niet alleen poogde Handy zijn partituren te bevrijden van het swingidioom, met z’n vaste tempo, maar hij experimenteerde ook met harmonie en orkestrale kleur, waarbij hij zich liet inspireren door de “franse impressionisten.” Handy probeerde muziek te schrijven die het jazzpubliek niet van zich zou vervreemden, maar die tegelijkertijd een nieuw publiek dat zich voelde aangetrokken tot artistiek meer gewaagde muziek kon aanspreken. De samenwerking tussen Raeburn en Handy was kort, en eindigde in 1946, naar aanleiding van allerlei meningsverschillen. Handy moet een moeilijke man zijn geweest. Er ontstond ruzie over copyrights, hij miste deadlines, en zijn gedrag werd door sommigen ervaren als “ongecontroleerd.” Ondanks alle moeite die Raeburn in zijn orkest stak, was de tijd niet er niet rijp voor, en in 1948 zag hij zichzelf gedwongen zijn orkest op te heffen. Zo kwam er een eind een een van de meest experimentele jazzorkesten uit de jaren veertig van de vorige eeuw. Hoewel zijn orkest niet een echte opvolger had, zoals dat van Claude Thornhill, dat regelrecht resulteerde in de Birth of the Cool plaatopnames van het Miles David Nonet, was Raeburn toch een onlosmakelijk deel van de muzikale beweging die de weg bereidde voor de “cool jazz” van de jaren vijftig.
© Dutch Jazz Orchestra
Boyd Raeburn - Dutch Jazz Orchestra CDs
Met dank aan Bruce Raeburn,
and The Rutgers Institute of Jazz Studies
The Rutgers Institute of Jazz Studies
Verder lezen
Boyd Raeburn and His Orchestra (Circle) Recordings from 1944-45
Rhythms by Raeburn (Aircheck LP) Recordings from 1945
The Unissued Boyd Raeburn (Joyce LP) Recordings from 1945
Experiments in Big Band Jazz (Musicraft) Recordings from 1945
Where You At (Hep) Recordings from 1945-48
The Legendary Jubilee Performances (Hep) Recordings from 1946
Memphis in June (Hep) Recordings from 1945-47
Jewels (Savoy) Recordings from 1945-49
Airshots (IAJRC) Recordings from 1944-46
March of the Boyds (Hep) Recordings from 1945-47
The Transcription Performances (Hep) Recordings from 1945-46
Copyright © 2009, Dutch Jazz Orchestra. All rights reserved.